De Volksrepubliek China

Geschiedenis en achtergronden van China

 

HOME

Inhoudsopgave scriptie studie Talen en Culturen van China:

"China's gevecht voor het behoud van Autonomie"


Omslagontwerp:
Bas Scheffers, Vormgeverscollectief Voko-Lichen

 

achterblad

Wederopbouw in China (1949-1952) en Eerste Vijfjarenplan (1952-1957)

Embargo's en Handelsbeperkingen tegen de Volksrepubliek

Hoofdstuk 2
OMSTANDIGHEDEN IN HET CHINA VAN 1949

In december 1949 hadden de communisten de burgeroorlog gewonnen van de nationalisten die hen al sinds de jaren twintig probeerden te zuiveren. Chiang Kai Shek en zijn aanhangers vluchtten vervolgens naar Taiwan. Eindelijk was er vrede in het land, maar het had ontzettend te lijden gehad onder de onophoudelijke gevechten tussen warlords, de Japanse gewapende agressie tegen de Chinese bevolking en de zuiveringen die nationalisten voerden op communisten. Miljoenen mensen waren van huis en haard verdreven. De herbezetting door de Guomindang van steden die in handen waren geweest van de Japanners, was de bevolking zwaar gevallen omdat de nationalisten te werk waren gegaan met ernstig geweld, plundering, diefstal en corruptie.
Bij zijn vlucht naar Taiwan had de nationalistische regering van Chiang Kai Shek bovendien de complete Chinese goudvoorraad geroofd. Daardoor begon de pas gestichte Volksrepubliek al als bankroet land. China was destijds een agrarisch derdewereldland waar het grootste gedeelte van de plattelandsbevolking in armoede leefde. De inflatie was torenhoog en de transportwegen zoals spoorwegen waren vernield en rivieren en havens verstopt. In de tweede en laatste ontmoeting tussen Mao en Stalin op 22 januari 1950, zei de Sovjetleider botweg dat “de Chinese economie praktisch in puin lag”. Mao weersprak deze woorden niet. Ironisch genoeg had Stalin daar zelf de hand in gehad.
De technologie was verouderd en van een economie was nog nauwelijks sprake. De mechanisatie op allerhande gebied had amper zijn intrede gedaan en de industrie bevond zich nog in haar kinderschoenen. Japan had in Mantsjoerije een zeer winstgevende zware industrie opgezet die zijn binnenlandse industrie en oorlogsindustrie had voorzien van delfstoffen als ijzererts en steenkool. Het gebied was een Japans wingewest wat intensief en aan de lopende band geëxploiteerd werd. In de Tweede Wereldoorlog voerde Japan de industrialisatie er nog eens op. Zeven tiende van China’s totale productie van gietijzer en bijna alle staal vond plaats in Mantsjoerije. In 1945 hadden de belangrijkste productiecentra voor staal en ijzer samen de capaciteit om 3.36 miljoen ton ijzer plus 1.8 miljoen ton staalbaren te vervaardigen.  
De Sovjetbezetting van Mantsjoerije (1945-1948) en de goed geplande en systematische ontmanteling van de moderne industrie daar, was daarom ook de zwaarste slag die China’s industriële ontwikkeling ooit heeft moeten verwerken. De plundering liet weinig over van de bloeiende zware industrie die er was opgebouwd. Bijna alle industriële capaciteit voor de delving van ijzererts en de verwerking ervan was daardoor verloren gegaan, zeventig tot tachtig procent van de productiecapaciteit van hoogovens was vernietigd of werd in onbruikbare staat aan China teruggeven. Wat betreft staal was het verlies aan productiecapaciteit 75 procent voor het maken van staalbaren, 50 procent voor de vervaardiging van half afgewerkt staal en 64 procent voor de productie van afgewerkt staal.
,,In de jaren vijftig was China’s economie erg slecht ontwikkeld. Er was weinig kapitaal en de rente voor leningen was hoog. Er waren weinig goederen die geëxporteerd konden worden en de marktwisselkoers was hoog. Ten slotte was het economische surplus klein en waren er weinig mogelijkheden om groot kapitaal te vergaren voor investeringen”.
De totale productiewaarde van de industrie en landbouw was in 1950 slechts 12.7 miljard dollar en het bruto nationaal product was 17.9 dollar per persoon. (1950, dollar: rmb= 3.6814) De landbouwproductie vormde 70 procent van de totale productiewaarde en de industrie slechts 30 procent. De zware industrie droeg slechts 7.9 procent bij aan waarde van de totale productie in het land. De economie bevond zich dus op een erg laag niveau, wat direct een ontwikkelingsstrategie vereiste. In 1950 stonden de communistische leiders voor de immense taak om een politiek stabiel en economisch levensvatbaar staatsbestel op te zetten.

2.1    Armoede op het platteland
In 1949 behoorde China tot de armste landen van de wereld. De Chinese plattelandsbevolking vormde destijds een vijfde van de wereldbevolking en leefde vòòr de stichting van de Volksrepubliek in grote armoede. In de jaren dertig werden veel veldonderzoeken gedaan op het gebied van de landbouweconomie die aantonen dat haar omstandigheden nog leken op die van de agrarische bevolking in de zestiende eeuw. De verwoestingen en ontberingen die ze leed onder de tweede Japans-Chinese oorlog (1937-1945) en de burgeroorlog tussen de communisten en de nationalisten (1945-1949), kwamen bovenop de extreme armoede waarin ze al leefde.
China was een agrarische samenleving waar 90 procent van de bevolking leefde van het bewerken van eigen grond of gepachte grond. 542 miljoen mensen leefden in 1949 slechts op een tiende van het Chinese grondgebied omdat de rest niet geschikt was voor landbouw. Vòòr 1949 was het grondbezit zeer ongelijk verdeeld. Een aanzienlijk gedeelte van de bevolking bestond uit landlozen en bijna landlozen. In 1930 vormden landeigenaren en rijke boeren slechts 12 procent van de landbezittende bevolking maar zij bezaten de helft van het gecultiveerde land, terwijl 60 procent van de landbezittende bevolking slechts 24 procent bezat.
Spence beschrijft indringend de situatie van de landlozen: “De vergaarde informatie liet er geen twijfel over bestaan dat grote aantallen landarbeiders in alle delen van China in ontstellende armoede leefden. Miljoenen mannen konden zich amper in leven houden als sjouwer in de slappe tijd of als boerenknecht in de paar drukke weken dat er werd gezaaid en geoogst”. “Vrijwel niemand van hen kon zich een huwelijk veroorloven en de meerderheid stierf onopgemerkt na een kort en ellendig leven”. In 1949 was de gemiddelde levensverwachting van Chinezen dan ook nog maar 36 jaar.
De kleine boeren die een lapje grond bezaten, hadden het weliswaar beter maar konden ook nog moeilijk overleven. ,,Tientallen miljoenen anderen (de “arme boeren” uit de analyses van Mao Zedong en andere communisten) bezaten boerderijtjes die te klein waren om rendabel te zijn. Daarom haalden zij noodgedwongen het uiterste uit de arbeidskracht van hun gezin, terwijl ze bovendien in de drukste tijd van het jaar dit “personeel” voor anderen lieten werken om wat bij te verdienen. Toch moesten velen hun kinderen verkopen om hen niet langzaam te zien verhongeren. Bij deze overvloed aan doodarme arbeidskrachten had vrijwel geen van de rijkere boeren geld over voor mechanisatie van het werk op het land, zelfs al waren de machines en brandstof beschikbaar. Ook investeerden ze nauwelijks in trekdieren, want een dagloner kostte evenveel als het voer voor een ezel, terwijl je zo’n man kon wegsturen zodra je hem niet meer nodig had, maar die ezel het hele jaar moest voederen en stallen, ook als er niets te doen was”.
Het bestaan van boeren was dan ook zwaar omdat ze ernstig uitgebuit werden. Ze moesten hoge pacht betalen, vaak in natura. Het was normaal dat landheren 40 procent van het belangrijkste gewas afnamen als pacht, maar in bepaalde gebieden liep dit op tot zelfs 90 procent.   Bovendien moesten boeren belasting betalen aan ambtenaren van het hof die voor eigen gewin naar believen extra belasting mochten heffen. Vaak waren ze ook nog overgeleverd aan willekeurige belastinginning die het gevolg was van decennia van machtsuitoefening door krijgsheren, burgeroorlogen en internationale oorlogen (na de val van het keizerrijk). Historicus Tawney beschrijft de situatie van de boeren zeer indringend: “Het is de realiteit dat over een uitgesterkt gebied als China, de boerenbevolking afschuwelijk lijdt onder de onzekerheid van het bestaan en over hun eigendom. Ze moeten belasting betalen aan een bandiet die zichzelf generaal noemt, aan een tweede en aan nog een derde persoon. En als ze aan die plichten hebben voldaan, zijn ze de regering nog belasting verschuldigd. In sommige plaatsen moeten ze voor meer dan twintig jaar vooruit betalen.” Een prioriteit voor de Chinese Communistische regering was daarom ook het terugdringen van de ontstellende armoede en de uitbuiting op het platteland.
In heel China leefden grote aantallen boeren in zulke extreme armoede dat de wereldbank in haar landenstudie onderschrijft dat hun overleven sterk afhing van het weer. De kleinste veranderingen in de weersgesteldheid (overstrominkjes, kleine droogte) konden de voedselbalans dusdanig verstoren dat grote aantallen boeren in hongersnood vervielen. Volgens Tawney waren er gebieden waar het leven van boeren erg kwetsbaar was, vergelijkbaar met “een man die tot aan zijn nek in het water staat, zodat zelfs een rimpel daarin voldoende is om hem te doen verdrinken”. “Het verlies aan levens veroorzaakt door rampen (bijvoorbeeld natuurrampen) is minder beduidend dan het licht dat ze werpt op omstandigheden die er zelfs in gewone tijden in aanzienlijke gebieden heersen”.
De onderliggende oorzaken van hongersnoden zijn talrijk, maar in China waren natuurrampen zoals droogte en overstromingen vaak de aanleiding. Droogte veroorzaakte ernstiger rampen omdat het een uitgestrekt gebied aantastte, waardoor de bevolking weinig kans kreeg om naar een ander gebied te vluchten en omdat de uniformiteit van het verschijnsel er voor zorgde dat bijna elke plek in het rampgebied werd geraakt. Bovendien kon een ernstige droogte twee tot drie jaar duren, waardoor hulp steeds moeilijker werd.
Er werden vaak hongersnoden gerapporteerd in de Chinese geschiedenis, maar in de late negentiende eeuw en de vroege twintigste eeuw kwamen ze vaker voor en waren ook heviger. China kwam in het westen bekend te staan als “het land van de hongersnoden”. De impliciete boodschap van de Chinese bevrijding was dan ook dat de hongersnoden tot het verleden zouden behoren. De Chinese hongersnood van 1876 tot 1879 kostte een geschat aantal van 9 tot 13 miljoen mensen het leven. . In 1907 vond er een grote hongersnood plaats die aan 24 miljoen mensen het leven kostte. In 1920 en 1921 en tussen 1928 en 1931 gingen droogtes gepaard met ernstige hongersnoden.

 

 

 

 

 

 

 

Ibid., p. 126.

Ho, Peter, “Globalisering op zijn Chinees”, Groninger Museum Magazine 21, no. 2 (2008): p. 31.

Ibid., p. 23d.

Spence, Jonathan. 1999. Mao Zedong. Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Agon BV, p. 131.

Chang, Kuei-sheng. “Nuclei Formation of Communist China’s Iron and Steel Industry”, Annals of the Association of American Geographers 60, no. 2 (1969): p. 259, 267.

Ibid., p. 268.

Ibid., p. 20.

Ibid., p. 357.

Ibid., p. 21.

State Statistical Bureau, PRC. 1982. Statistical Yearbook of China 1981. Hong Kong: Economic Information and Agency, p. VI-4.

Stover, Leon. 1976. De Culturele Ecologie van de Chinese beschaving. Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum, p.

World Bank. 1983. China: Socialist Economic Development, Vol. I. Washington: The International Bank for Reconstruction and Development/ The World Bank, alinea 1.31.

Ibid., p. 97-99.

Spence, Jonathan. 1991. Op Zoek naar het Moderne China. Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Agon BV, p. 430.

Donnithorne, Audrey. 1967. China's economic system. London: George Allen and Unwin Ltd, p. 32.

World Bank. 1983. China: Socialist Economic Development, Vol. I. Washington: The International Bank for Reconstruction and Development/ The World Bank, alinea 1.31.

Donnithorne, Audrey. 1967. China's economic system. London: George Allen and Unwin Ltd, p. 36.

Spence, Jonathan. 1991. Op Zoek naar het Moderne China. Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Agon BV, p. 335.

World Bank. 1983. China: Socialist Economic Development, Vol. I. Washington: The International Bank for Reconstruction and Development/ The World Bank, alinea 1.31.

Li, Lillian M., “Introduction: Food Famine and the Chinese State”, The Journal of Asian Studies 41, no. 4. (Aug 1982): p. 692.

Bernstein, Thomas P., "Mao Zedong and the famine of 1959-1960: a study in wilfulness", China Quarterly 186 (Jun 2006): p. 444.

Cotts Watkins, Susan, “Famines in Historical Perspective”, Population and Development Review 11, no. 4 (Dec 1985): p. 650.

Li, Lillian M., “Introduction: Food Famine and the Chinese State”, The Journal of Asian Studies 41, no. 4. (Aug 1982): p. 687.

 

vlag

"Hahaha, die Chinezen!"

Een blik op de ontwikkelingen in de Volksrepubliek tot aan eind jaren zeventig en de omstandigheden waaronder dat gebeurde. Wat was de rol van het Westen hierin?

Wat hebben communisten voor China gedaan?

Ingezonden brief aan het Nederlands Dagblad,

5 oktober 2009

"Op zoek naar China's moderne geschiedenis"

De Avonden, VPRO, 20 maart 2008

Jaren nadat "Wilde Zwanen" mijn beeld van China had bepaald, ontdekte ik dat het bestuur onder leiding Mao Zedong de levensomstandigheden van Chinezen sterk heeft verbeterd.

Deze radiodumentaire vertelt over mijn zoektocht naar China's moderne geschiedenis, met daarin een stevig interview met Jung Chang.

Wijlen voormalig professor en China-kenner W. F. Wertheim over "Wilde Zwanen" van Jung Chang

Waarom er volgens Wertheim "geen reden is om enig belang te hechten aan haar (Jung Chang's) oordeel over het door Mao gevoerde agrarische beleid". Ook schrijft hij over de wetenschappelijke grond die er ontbreekt voor cijfers van tientallen miljoenen doden die tijdens de Grote Sprong Voorwaarts zouden zijn gevallen.